Specialist in faciliteren

De kracht van Embodied werkvormen

auteur: Henri Haarmans

Tijdens de trainingen die ik geef, krijg ik vaak de vraag: “Heb je een favoriete werkvorm en zo ja, welke is dat dan?

Ik hoef hierover niet lang na te denken. Eigenlijk heb ik niet één favoriete werkvorm, maar is het een cluster van werkvormen die in elkaar overlopen en verweven zijn. Ze hebben allemaal een aparte naam, maar ze gebruiken allemaal hetzelfde grondidee: de deelnemers geven, door met hun lichaam een positie in de ruimte kiezen, hun mening of het antwoord op een vraag aan. De overkoepelende term voor dit soort werkvormen is embodied werkvormen.

Ik heb het over

De lijnopstelling, de landkaart (eigenlijk een tweedimensionale lijnopstelling), de schaalvraag, de quiz, gesprek op voeten en spectrum lijnen.

Wat is de reden dat ik dit mijn favoriete werkvormen zijn:
  • De kracht van al deze werkvormen is dat je met minimale middelen een maximaal resultaat kunt bereiken. Zie de voorbeelden hieronder.
  • De basis van al deze werkvormen is dat je vloer van de ruimte gebruikt waarop de deelnemers met hun eigen lichaam hun positie kiezen.
  • Deze werkvormen zijn op vrijwel alle plekken in het facilitatieproces toe te passen.
  • De werkvormen stimuleren zes van de acht meervoudige interesses. Namelijk:
    Verbaal-linguïstisch, Logisch-mathematisch, Visueel-ruimtelijk, Lichamelijk-kinesthetisch, Intrapersoonlijk en Interpersoonlijk.
  • De werkvormen zijn makkelijk om, in het kader van het onderwerp van de workshop, betekenis te geven.
Voorbeelden

Voorbeeld 1 (lijnopstelling)

Bij een team dat beter met elkaar moest leren samen te werken, merkte ik dat ze elkaar nauwelijks aankeken. Met behulp van de lijnopstelling bracht ik daar verandering in.
Mijn eerste vraag was: “Ga op volgorde van schoenmaat staan.”
Mijn tweede vraag: “Ga op volgorde van lengte staan.”
Bij de tweede vraag ging het al makkelijker dan bij de eerste vraag. De uitdaging voor hen kwam bij de derde vraag: “Ga op volgorde van kleur ogen staan. De lichtste ogen links en de donkerste ogen rechts.” Deze vraag kon ik vervolgens als opstapje gebruiken naar het onderwerp van de workshop en mijn waarneming bij aanvang.

 

Voorbeeld 2 (landkaart)

Tijdens de start van een training merkte ik dat de deelnemers moeilijk met elkaar contact maakten. Om hier verandering in aan te brengen heb ik de werkvorm de landkaart gebruikt. Bij de werkvorm is de vloer een virtuele landkaart van Nederland. Eigenlijk is dat een tweedimensionale variant van de lijnopstelling.
Mijn eerste vraag luidde: “Ga op de plek staan waar je nu woont.” De deelnemers vormden zo een groep rond de vestigingsplaats van de organisatie.
Mijn tweede vraag was: ‘Ga op de plaats staan waar je geboren bent.” De deelnemers verspreiden zich door de ruimte. Sommigen kwamen er achter dat ze vlakbij elkaar geboren en getogen zijn. Spontaan ontspon zich een gesprek tussen hen over hun geboortegrond, de winkels, scholen etc. Ook een deelnemer die buiten Nederland geboren was, kreeg vragen op zich afgevuurd.
Een derde vraag had nog kunnen zijn: “Naar welke plek in Nederland ga je graag op vakantie?”

 

Voorbeeld 3 (schaalvraag)

Het is al jaren geleden dat ik voor een community of practice een workshop begeleidde. Eén van de onderdelen van de avond was een proefpresentatie van een medewerker van de organisatie waar we te gast waren. Na afloop was iedereen enthousiast over de presentatie. Toen ik om tips vroeg, bleef het stil. Zelf had ik enige moeite met de presentatie. Om die reden voeg ik de toehoorders om de presentatie een rapportcijfer te geven en zich vervolgens in een lijn op te stellen (Schaalvraag). De toehoorders scoorden de presentatie tussen de 6 en de 8. Mijn vervolg: “Wat moet de presentatrice doen om één punt hoger te scoren?” Na enige aarzeling kwamen de tips: de volgorde van slides veranderen, niet te veel uitweiden en erbij halen, bevindingen kwantificeren, etc.

 

Voorbeeld 4 (de quiz)

Bij de invoering van de euro faciliteerde ik een groep IT’ers die een migratieplan moesten opstellen om de systemen van de organisatie om te zetten van guldens naar euro’s. Ik vermoedde dat er enige manco’s waren in de kennis van de deelnemers over de euro. Daarom maakte ik met de opdrachtgever samen een multiple choice quiz. In vier hoeken van de ruimte hing ik bordjes met A, B C en D op. Na het stellen van de vraag, moesten de deelnemers kiezen welk antwoord goed was en op die plek in de ruimte gaan staan. Sommige vragen waren gewoon weetvragen, dus was het niet nodig het antwoord te bespreken. Maar bij andere vragen konden de deelnemers met elkaar in gesprek om  argumenten voor hun antwoord vast te stellen. Dit zorgde voor verdieping van de kennis van de deelnemers.

 

Voorbeeld 5 (Gesprek op voeten)

De workshop is bijna afgelopen als een deelnemer op staat en aangeeft dat hij zich helemaal niet kan vinden in de mening van de andere deelnemers. De workshop gaat over een nieuwe manier om een intake te doen bij klanten. Het team is het eens met elkaar over de nieuwe aanpak die ze tijdens de workshop bedacht hebben. Alleen die ene deelnemer ziet het helemaal niet zitten. Er ontstaat een welles-nietes sfeer. Om dit doorbreken gebruik ik de werkvorm ‘Gesprek op Voeten’.
Ik nodig de deelnemers uit te komen staan en de stoelen opzij te schuiven.
Ik stel de vraag aan de groep: “Wat vinden jullie van de opgestelde nieuwe werkwijze?” De teamleider beantwoordt de vraag positief en het merendeel van de deelnemers is het ermee eens en kiezen positie achter hem. Twee deelnemers twijfelen waaronder die ene deelnemer. Hij geeft aan dat hij een andere mening heeft. Hij zit pas kort in het team en heeft nog nauwelijks ervaring opgedaan waarop hij kan terugvallen. De andere twijfelaar is het met hem eens en gaat achter hem staan. Ook andere deelnemers zie ik twijfelen en één stapt er over. Ik vraag aan die ene deelnemer wat hij nodig heeft om in te stemmen met het voorstel dat tijdens de workshop bedacht is. Hierop geeft hij aan dat hij graag begeleiding wil hebben bij de eerste paar opdrachten waarvoor hij de intake gaat doen. De andere deelnemers begrijpen nu de zorg van de deelnemer en de teamleider geeft aan dat hij de begeleiding gaat regelen.

Voorbeeld 6 (spectrum lijnen)

Deze werkvorm werkt heel goed als er alleen binaire antwoorden, ja resp. nee, mogelijk zijn. Je kunt er  onderwerpen mee bespreekbaar maken, die voor de deelnemers in een taboehoek zitten. Denk aan discriminatie, drugsgebruik, ongewenst gedrag.
Je stelt een vraag over het onderwerp en als een deelnemer deze met ja kan beantwoorden doet hij één stap naar voren. Afhankelijk van de groep deelnemers zal na een aantal vragen geen van de deelnemers nog op 0 staan. Vanaf dat moment is het onderwerp bespreekbaar geworden in de groep.