Integraal en optimaal begeleiden van groepen
De theorie

In de jaren 80 van de vorige eeuw ontwikkelde Howard Gardner zijn theorie rondom Meervoudige Intelligenties[1]. Gardner is van mening dat IQ niet de enige maatstaf is om intelligentie te meten. Hij stelt namelijk dat we met een IQ-test alleen maar meten of iemand reken- en taalslim is. Zijn theorie doet daarmee recht aan de verschillen die tussen mensen bestaan.

In dit kader is het van belang te weten wat Gardner onder een intelligentie verstaat.

Intelligentie is: “Het vermogen om informatie te verwerken, dat in werking kan worden gesteld in een culturele situatie om problemen op te lossen of producten te scheppen die van waarde zijn in een cultuur” (Gardner, 1999).

Aan deze definitie is af te lezen dat Gardner op een andere manier aankijkt tegen intelligenties. Hij noemt het ook wel talenten.

Een talent of begaafdheid is een bijzonder goed ontwikkelde eigenschap van een bepaald persoon. Het woord wordt gebruikt in verband met vele vermogens. Iemand kan bijvoorbeeld talent hebben voor bepaalde schoolvakken of wetenschappen, werkzaamheden, creatieve uitingen (kunst), sociale interacties etc. (Wikipedia).

Binnen de Academy gebruiken we ze om er voor te zorgen dat deelnemers aan meetings zich meer aangesproken, betrokken en uitgedaagd voelen. Hierdoor zal het rendement (resultaat) van de meeting toenemen.

We spreken daarnaast ook liever over Meervoudige Interesses, omdat we de Meervoudige Intelligenties op die manier gebruiken.

De Interesses
  1. De Verbaal-Linguïstische Interesse
    Dit is het vermogen om te lezen, te schrijven en te communiceren. Deze interesse wordt ook wel de talige interesse genoemd.
  2. De Logisch–Mathematische Interesse
    Dit is het vermogen om te rekenen en te werken met numerieke symbolen. Deze interesse wordt gekenmerkt door het gebruik van analytische, logische en geordende stapjes in de denkstructuur.
  3. Visueel–Ruimtelijke Interesse
    Dit het vermogen om waar te nemen en te herscheppen. Deze interesse kenmerkt zich door zich de zaken ruimtelijk (of in beelden) te willen voorstellen. Dat beeld kan worden opgeroepen met behulp van taal of met behulp van foto’s, afbeeldingen of figuren.
  4. Lichamelijk-Kinesthetische interesse
    Dit is het vermogen om (fijn- en grof-) motorische handelingen goed uit te voeren.
  5. Muzikaal-Ritmische interesse
    Dit is het vermogen om melodieën, ritme en klanken te waarderen en te gebruiken.
  6. Naturalistische interesse
    Dit is het vermogen om te kunnen ordenen, om verbanden te kunnen zien en samenhangen te kunnen aanwijzen. Vaak wordt dit met name gerelateerd aan de natuur.
  7. Interpersoonlijke interesse
    Dit is het vermogen om de gevoelens en behoeften van anderen waar te nemen en te begrijpen. Hierbij gaat het om de vaardigheid om te leren van en met elkaar. De reactie van de ander is van invloed op de eigen ontwikkeling.
  8. Intrapersoonlijke interesse
    Dit is het vermogen tot zelfinzicht. Dit vraagt om de vaardigheid om na te (kunnen) denken over het eigen handelen, zelfreflectie toe te passen, om daar van te leren.

Howard Gardner onderkent nog twee interesses: de existentiële interesse en de morele interesse. Deze worden echter weinig tot niet gebruikt. Om die reden worden ze hier ook niet verder behandeld.

[1] Gardner, Howard. (1983) “Frames of Mind: The Theory of Multiple Intelligences.” New York: Basic Books.
Gardner, Howard. (1993) “Multiple Intelligences: The Theory In Practice.” New York: Basic Books.