Integraal en optimaal begeleiden van groepen

Meetings kunnen grofweg verdeeld worden in vijf typen:

  1. Meedelen
    De meetings kenmerken zich door kennisoverdracht of het brengen van een boodschap.
    Voorbeeld: colleges, lezingen, TED-talks, inauguraties, troonrede, key-note op een congres.
  2. Aanbieden
    De meetings is gericht op het verkopen van ideeën of het over- of bijbrengen van kennis.
    Voorbeeld: salesgesprekken, trainingen.
  3. Modereren
    De meeting is gericht op een productieve conversatie in de groep.
    Voorbeeld: inspraakavonden, intervisie-bijeenkomsten.
  4. Stimuleren
    De meeting is gericht op het creëren van een creatieve ‘leer’-omgeving om de vraag of het probleem van de opdrachtgever te beantwoorden of het vertalen van hetgeen de opdrachtgever heeft verteld naar de eigen praktijk van de deelnemers.
    Voorbeeld: workshops, brainstorms.
  5. Mandateren
    De meeting is gericht op het zelfstandig door de deelnemers neerzetten van het resultaat van de meeting.
    Voorbeeld: workshops en brainstorms waarbij de oplossing doe bedacht wordt ook daadwerkelijk door het team geïmplementeerd wordt. Denk hierbij aan zelfsturende teams en scrum teams.

Het Spectrum kan op onderstaande manier gevisualiseerd worden:

In deze tekeningen is de inhoudsverantwoordelijke paars en de facilitator blauw.

Er zijn geen exacte grenzen tussen de typen meetings aan te geven. Net als bij het kleurenspectrum lopen de verschillende typen in elkaar over.

Voor veel meetings geldt dat ze een samenstelling zijn van twee of meer typen. Dat geldt zeker voor de meeste vergaderingen. Een vergadering bestaat vaak uit meerdere onderdelen (vergaderpunten). Elk vergaderpunt zal dan voldoen aan één van de eerste vier typen.

Het spectrum werkt door naar:

  • De rol en houding van de inhoudsverantwoordelijke, de facilitator en de deelnemers.
  • De methodes en werkvormen die gebruikt kunnen worden.
  • Het draagvlak van het resultaat van de bijeenkomst.
  • De mate van interactie tussen de inhoudsverantwoordelijke en de deelnemers resp. de deelnemers onderling.
  • De energie in de groep.
  • De tijd die besteedt wordt aan check-in en check-out in relatie tot het inhoudelijke deel van de meeting.
  • De zaalinrichting.